logo
door Nienke Ledegang, gepubliceerd in dagblad Trouw op 17 december 2003
Hij trekt zich in Rio de Janeiro het lot van straatkinderen aan. Niemand hoeft Robert Smits (45) uit te leggen wat daar, in de Braziliaanse miljoenenstad, de gevaren van de straat zijn. "Er geldt het recht van de sterkste. En dat is de drugsmaffia."

Twintig jaar geleden kwam de reislustige Rotterdammer Robert Smits tijdens een Zuid-Amerika-reis in Rio de Janeiro terecht. Op een trappetje bij het grote stationsplein bekeek hij de hordes straatkinderen, veelal drugsverslaafd. En toen: "Alsof het een roeping was. Ineens wist ik: hier hoor ik te zijn. Hier moet ik helpen."

Smits was in die tijd begeleider van moeilijk opvoedbare kinderen in Ermelo. "Dat hele plein vol kinderen in Rio, zo schrijnend tussen verslaafden, hoeren en uitgerangeerde travestieten, had geen enkele vorm van hulp. Die ongelijkheid heeft ongetwijfeld meegespeeld bij de drang om daar, precies op die plek, te willen helpen. Maar echt verklaren kan ik het niet."

Al snel legt Smits contact met een Amerikaanse zendeling die op een particuliere school werkt, middenin de wijk. De sportief aangelegde Smits biedt aan gymles te geven, op voorwaarde dat hij de sporthal na schooltijd mag gebruiken voor de kinderen uit de sloppenwijk. Voor hen richt Smits de sportclub Sparta op ("eigenlijk had het Feyenoord moeten heten, maar dat krijgt niemand daar fatsoenlijk uit zijn mond"). Al snel ontvangt Smits op een avond wel driehonderd sportende jongeren. "Op die manier hoopte ik deze kinderen van de straat en de drugs te houden."

Elke avond om tien uur, als de sporthal dichtgaat, trekt hij met brood en drinken naar het plein om contact te leggen met de straatkinderen. "Daar heb ik geleerd dat alles om drugs draait. Enkele tientallen jongeren, drugsdealers, houden de honderden andere kinderen in zo'n wijk in hun greep. De droom van alle kinderen is leider van zo'n bende te worden, want dat betekent geld, macht, wapens en vrouwen." Met Sparta gaat het inmiddels goed. Binnenkort opent het door de gemeente bekostigde sportcomplex met zwembaden en sportvelden.

Smits ziet het van dichtbij, want voordat hij vanwege zijn (Braziliaanse vrouw) en twee kinderen naar een dorpje op het platteland verhuist, woont hij zelf zeven jaar lang midden in de krottenwijk ('Ik had geen geld, daar kon ik goedkoop wonen, vandaar'). "Er wordt volop lijm en tegenwoordig zelfs terpentine gesnoven. Geloof me: de straatkinderen van Rio komen niet om van de honger, maar door kogels. Er zijn dagelijks schietpartijen. Alles draait om overleven. Bij Sparta verliezen we jaarlijks tussen de tien en dertig leden. Vermoord."

De vraag hoe een normaal mens het in zo'n omgeving volhoudt, dringt zich op. "Natuurlijk, dat is het moeilijkste van mijn werk", vindt Smits. "Ik heb moeten leren dat ik tegen zoveel geweld niets kan uithalen. Ik zag een keer hoe de politie een jongen neersloeg. Toen ik daar iets van zei, sleepten de zes agenten mij mee en overlegden wat ze zouden doen. Mij vermoorden en ergens dumpen of laten gaan. Ze hebben me laten gaan. Toen ik thuiskwam, heb ik gehuild. Niet zozeer om wat mij was aangedaan, maar omdat ik mij realiseerde dat ik moest accepteren wat daar gebeurde. Alleen dan kon ik het werk blijven doen. Nee, opgeven en teruggaan naar Nederland is nooit een optie geweest. Er zijn ook kinderen die ik wél kan redden. Daar doe ik het voor."

Daarom ook sticht Smits op den duur Remer (Refúgio de Meninos da Rua, 'schuilplaats voor straatkinderen') met het opvanghuis Nieuwe Hoop. Dat is aangeplakt tegen de sloppenwijk bij het station. De Nieuwe Hoop is al enkele jaren tamelijk succesvol. Dit jaar kwamen 560 kinderen over de drempel, 56 van hen hebben inmiddels onderdak, onder meer op de woonboerderij op het Braziliaanse platteland. In acht huizen wonen telkens acht straatkinderen bij een 'moeder', die ze tot hun achttiende verzorgt. Smits: "Deze jongeren krijgen een opleiding, zodat ze later op eigen benen kunnen staan. Inmiddels is een aantal van de eerste jongeren afgestudeerd. Er zijn dominees bij, advocaten en artsen. En het mooie is: de meesten zetten zich nu zelf in voor Remer."

Zijn bezoek aan Nederland, deze weken, is bedoeld om ruchtbaarheid te geven aan wat in de Braziliaanse sloppenwijken gebeurt. "De stichting Help mij Leven, gesteund door kerken, bedrijven en scholen, is onze belangrijkste geldschieter. In de paar weken dat ik hier ben, hoop ik mensen te vinden die geld willen steken in Help mij Leven. De situatie in Brazilië is nijpend. Uit een rapport van Human Rights Watch blijkt dat tussen 1998 en 2001 in Brazilië 3921 kinderen werden vermoord. Ter vergelijking; in Israël waren dat er 467. Er woedt een stille burgeroorlog in Brazilië."

Smits zit er middenin. Vol overtuiging, maar op bijna verbeten wijze doet hij zijn werk. "Toen wij het Nieuwe-Hoophuis aan het bouwen waren, kregen we elke dag bezoek van een jongen, André. Twaalf jaar, sproeten en prachtige krullen. Hij kon niet wachten tot het klaar was. Hij telde af: nog drie weken, nog acht dagen, nog drie dagen. Als wij het even niet meer zagen zitten, was hij voor ons een reden om door te gaan. Vlak voor de opening werden wij gebeld door de maffia. Als wij het opvanghuis zouden openen, zouden ze iemand vermoorden, zeiden ze. Op de avond van de opening hadden we feest, maar André was er niet. De dag erna is hij gevonden, vermoord. Ik was er kapot van."

Copyright: Ledegang, Nienke